
FC Den Haag is voor het eerst sinds vijf jaar weer terug in de Eredivisie. Diehard supporter Ed Slier (53) maakte alles mee met de club, maar deze promotie is voor hem wel heel bijzonder. Het is vermoedelijk de laatste keer dat hij zijn cluppie heeft zien promoveren. De doktoren hadden überhaupt niet verwacht dat hij dit nog zou meemaken. ‘Haags onkruid vergaat niet.’
Het WerkTalent Stadion barst op dinsdagavond uit zijn voegen als Evan Rottier vlak na rust het bevrijdende doelpunt maakt. Het grootste deel van de orkaan aan geluid komt van de fanatieke aanhang van Midden-Noord. Supporters juichen, springen, gooien met bier en schreeuwen de longen uit hun lijf. Midden in die chaos, bij het trappetje ter hoogte van de middenlijn, staat een man voor wie het allemaal even te veel wordt. De tranen biggelen over zijn wangen en hij wordt getroost door zijn medesupporters. Het zijn tranen van geluk, verdriet; eigenlijk van alles wat een mens kan voelen.
Een week eerder hangt een bovenwoning om de hoek bij het voormalige Zuiderpark Stadion vol met FC Den Haag-spullen. De gang is volgebouwd met sjaals en vaantjes van de club, het hoofd van Aad Mansveld komt regelmatig voorbij en boven de bank hangen ingelijste FC Den Haag-shirts, waaronder één met de tekst: Ed, You’ll never walk alone. Aan de muur boven de televisie is een schilderij van het Zuiderpark bevestigd. Op de plaat schitteren de oude stadionlampen, is geel-groene rook te zien en klimmen Haagse supporters in de hekken.
‘Ik hoop dat de hemel er zo uitziet’, zegt Slier, terwijl hij een hijs van zijn sigaret neemt. Het is 12.00 uur in de middag en voor hem op tafel staat een biertje. Slier is gehuld in een zwart T-shirt, draagt een ketting van een ooievaar om zijn nek en heeft verschillende FC Den Haag-tattoos op zijn armen. Hij is mager, heeft een stoppelbaardje en een eigenwijze blik in zijn ogen. Hij knikt richting het schilderij. ‘Ik ben geboren in het Zuiderpark. Ik heb daar op mijn dertiende mijn eerste stappies in het leven gezet en ben er een man geworden.’ Hij blaast rook uit zijn mond. ‘Ja, daar is mijn leven pas écht begonnen.’
Slier telt op het moment van het gesprek af naar de promotiewedstrijd van zijn cluppie en dat is al een wonder te noemen. Slier had al tijden last van zijn lever. ‘Op een gegeven moment schreeuwde ik het uit van de pijn en dacht ik: Dit is niet goed.’ Eerst ging hij richting een fysiotherapeut, maar die stuurde hem meteen door naar de huisarts. ‘Werd ik daar weer doorgestuurd naar een kliniek voor röntgenfoto’s en daar gingen gelijk alle alarmbellen af. Moest ik gelijk door naar de spoedeisende hulp.’
Al snel kreeg Slier te horen dat hij een tumor op zijn lever had en hij niet meer te redden was. ‘Ik had het eigenlijk wel verwacht’, zegt hij. ‘Alleen, het onverwachte was dat ik volgens de doktoren in maanden moest gaan denken.’ Slier dacht dat 2024 al zijn laatste mogelijkheid was om FC Den Haag – zoals hij het zelf steevast blijft noemen – te zien promoveren. ‘En toen kreeg ik onverwachts vorig jaar nog een kans.’ In de tussentijd kreeg hij er nog een tumor op zijn lymfeklier bij. Artsen zien het als een medisch wonder dat hij hier nog op de bank zit. ‘En dit jaar heb ik héél erg onverwachts nog een mogelijkheid gekregen.’ Hij begint te lachen: ‘Nou, driemaal scheepsrecht dan maar.’
Als mensen aan Slier vragen hoe het met hem gaat, is zijn antwoord iedere keer: ‘We leven nog.’ Hij leeft letterlijk met de dag. ‘Ik kan niks vooruitplannen, het is altijd maar afwachten of ik de volgende wedstrijd überhaupt haal.’ Hoewel hij soms flink vermoeid is, klimt hij om de week de Haaglanden Tribune van het stadion op en staat hij daar op zijn vaste plekje bij de trap. ‘Daar laad ik me de hele week voor op.’
Hij ligt regelmatig nachten wakker en piekert zich suf. ‘Mijn hele leven flitst voorbij en daarnaast denk ik soms ineens: Kut, dit moet ik nog regelen.’ Toch zien zijn vrienden in het stadion altijd de goedlachse en vrolijke Slier, zoals ze hem altijd al kennen. ‘Wat heeft het voor zin om tegen anderen zielig te gaan lopen doen? Daar heb niemand wat aan en ze kennen je toch niet helpen.’
In de hoek van de kamer staan twee originele stadionstoeltjes van het Zuiderpark, de plek waar Slier zijn hart aan de club verloor. Veertig jaar geleden, vanaf het seizoen 1985/86, was Slier iedere wedstrijd in het stadion te vinden. ‘Eerst mocht het niet van mijn ouders’, grinnikt hij. ‘Het was natuurlijk de bekende tijd, maar ze konden me toch niet tegenhouden.’ Slier beloofde als jochie van dertien dat hij braaf op de West-tribune zou plaatsnemen, maar al snel verhuisde hij naar de fanatieke supporters van Midden-Noord. FC Den Haag werd in dat seizoen direct ongeslagen kampioen in de Eerste Divisie. ‘En ik ben nooit meer weggegaan.’
In die jaren vierde het hooliganisme hoogtij en gingen veel uitsupporters met poep in de broek richting het Zuiderpark. Slier geeft toe dat hij een straatboefje is geweest. ‘Maar je hebt de harde kern en dé harde kern… Ik ben wel harde kern, maar niet in de zin dat ik van tevoren ga afspreken om te knokken en dat soort gekkigheid.’
Hij maakte op 1 maart 1987 de Slag om het Zuiderpark mee, waarbij het compleet uit de hand liep tegen Ajakkes en de autoriteiten de grip verloren. ‘Dat was een heftige voor mij.’ Hij kan zich die dag nog als die van gisteren herinneren. ‘Ik stond vlakbij waar de ME het vak binnenkwam.’ Hij weet nog goed dat een vriendje van hem zei dat ze toch niet naar binnen zouden komen. ‘Nou, dat hebben we geweten.’ Er ontstond paniek en mensen raakten in de verdrukking. ‘Ik ben ook platgedrukt tegen een hek en buiten bewustzijn geraakt. Twee gasten hebben me later wakker gemaakt en van Midden-Noord afgehaald. Ik kwam bont en blauw thuis.’ De reactie van zijn moeder kan hij nog zo terughalen, zegt hij nu op z’n onvertogen Haags: ‘Die schrok zich de touwtyfus.’
Op de tribunes bij FC Den Haag maakte hij alles mee en ontstonden vriendschappen voor het leven. ‘Met vijftien man op een doordeweekse dag naar Veendam rijden’, pikt hij er wat momenten uit. ‘Of een Europese uitwedstrijd naar Bern. Eerst een lange reis in zo’n kutbus zonder plee en toen we aankwamen stonden er tanks en militairen te wachten. Prachtige herinneringen, toch?’ Ook de chaotische jaren horen nou eenmaal bij zijn cluppie. ‘Bijvoorbeeld die Chinezen die kwamen investeren. Nou, dat bleek ook weer een luchtbel te zijn.’ Hij begint te lachen: ‘De organisatie leek toen ook meer op een keuken uit een Chinees restaurant. Ik weet niet of je daar weleens naar binnen hebt gekeken?’ Hij verduidelijkt: ‘Het was één grote teringzooi.’
Slier is dag en nacht bezig met FC Den Haag, zo houdt hij de supporterssite northside.nl bij, werkte hij mee aan een boek over het oude stadion en was hij nauw betrokken bij de knuffelactie, waarbij FC Den Haag-supporters knuffeldieren vanuit het uitvak in De Kuip richting zieke kinderen gooiden. ‘Dat heb ik opgepakt en is een beetje uit de hand gelopen’, lacht hij. ‘Ik heb hier dertigduizend knuffels in huis gehad. Iedere dag stonden hier auto’s, busjes en zelfs een vrachtwagen voor de deur.’ Er verschijnt een grijns op zijn gezicht. ‘Was een fulltime job, joh! Ik heb drie weken onbetaald verlof van mijn werk moeten nemen.’
Ook nu is Sliers brein nog continu bezig met de Haagse trots. Aan het begin van vorig seizoen werd de diehard supporter tijdens een oefenwedstrijd tussen zijn club en de amateurs van HVV Laakkwartier in het zonnetje gezet. Hij verzorgde de aftrap en liep daar FC Den Haag/ADO-icoon Lex Schoenmaker tegen het lijf. ‘Hij zat daar met tranen in zijn ogen en baalde ontzettend dat hij moest stoppen als ambassadeur.’ Dat kon Slier niet verkroppen, waardoor hij een actie opzette om een standbeeld van Schoenmaker voor het stadion te laten realiseren. ‘We proberen een ton bij elkaar te krijgen via bedrijven, sponsoren en een crowdfundingsactie.’ Het standbeeld wordt momenteel gemaakt; zijn ziekte houdt hem niet tegen om dit soort projecten draaiende te houden. ‘Zolang het nog kan, waarom niet? Ik ben nou eenmaal supporter en blijf dat tot mijn dood.’
Hij geeft alles wat hij nog in zich heeft voor de club en zag die liefde de afgelopen periode ook terugkomen. Zo werd hij een keer compleet verrast door allerlei supporters die met fakkels in zijn straat stonden en You’ll Never Walk Alone voor hem zongen. Vervolgens werd hij in de spelersbus naar het stadion gebracht. Ook werd hij door de club gekroond tot clubheld. Fans konden vooraf op iemand stemmen die volgens hen het ultieme geel-groene hart heeft. ‘Werd ik hier thuis door een limousine opgehaald. Prachtig, toch?’
Iedereen in het stadion kent Slier, zeker sinds zijn deelname aan het televisieprogramma Dit jaar gaat ’t lukken, waarin hij als fanatieke supporter lange tijd werd gevolgd door een cameraploeg. ‘Ze hebben me wel duizend uur gefilmd, ze hadden er net zo goed een reallifesoap van kennen maken.’ Op een dag keek hij thuis naar de televisie en zag hij hoe supporters van FC Eindhoven een doek met zijn hoofd en de tekst ‘Ed Slier, sterkte’ hadden opgehangen. ‘Dat had een andere supporter uit dat programma geregeld, wiens kleinzoon bij FC Eindhoven speelt.’ Hij kan alle steun enorm waarderen: ‘Kicken, natuurlijk.’
Hij had zelf niet verwacht dat hij nu nog zou leven, en dacht afgelopen zomer ook zeker niet dat zijn club in de buurt van promotie zou komen. ‘Niemand niet’, zegt hij gedecideerd, terwijl hij een volgende peuk opsteekt. ‘We begonnen zonder trainer, de technisch directeur ging weg, maar dat vonden we niet erg natuurlijk.’ Eerst leek de club John van den Brom als nieuwe trainer aan te stellen, maar dat ging niet door. ‘En toen kwamen ze met een of andere Robin Peter aan’, zegt hij met verbazing in zijn stem. ‘Daar had op een enkeling na nog niemand van gehoord, maar het blijkt een gouden zet te zijn.’
De promotiewedstrijd tegen Jong FC Utrecht zal een rollercoaster voor hem worden, denkt Slier zeven dagen voor de pot. ‘Ik denk dat ik niet weet waar ik het hebben heb’, zegt hij. ‘Dat gaat wel emotioneel worden. Ik heb hier toch altijd voor geleefd.’
Zijn huis is een klein FC Den Haag-museum, vol met de gekste voorwerpen. Aan de deur richting de gang hangt een geel-groen lingeriesetje en een jurkje. ‘Een winactie van een subsponsor van ADO via Twitter, had ik me voor de gein voor opgegeven.’ Hij schiet in de lach: ‘Ik win nooit wat, maar dit keer natuurlijk wel.’ Het past qua kleuren perfect in de rest van zijn interieur. ‘Ik moet er toch wat mee en kan hem moeilijk zelf aantrekken.’
In de kast staan tientallen mappen met krantenknipsels over zijn club, van de tachtiger jaren tot nu. Boven een lijst, gevuld met kaartjes die hij ontving na het nieuws over zijn ziekte, hangt een FC Den Haag-spiegel van het seizoen 2002/03. ‘Laatste kampioenschap’, vertelt hij. ‘Daar zijn er maar twee of drie van, komt uit het Zuiderpark.’ Hij weet nog goed dat hij op een dag een seintje kreeg dat ze stiekem al waren begonnen aan de sloop van zijn hemel. ‘Als een idioot in de auto gesprongen en geprobeerd te redden wat er te redden viel. Ik had hier thuis tweehonderd stoeltjes liggen, kon iedereen gratis komen ophalen.’ Het was emotioneel om zijn favoriete stadion tegen de vlakte te zien gaan. ‘We hebben het weggezopen, laat ik het daarop houden.’
Hij heeft bij zijn zus vastgelegd welke waardevolle spullen bij welke vrienden terecht moeten komen. Zijn situatie is al tijden zo schrijnend dat hij ook al van alles voor zijn crematie heeft geregeld. ‘De jongens zorgen er wel voor dat het helemaal in FC Den Haag-sferen zal zijn. Het gaat niet rustig worden, dat ken ik je verzekeren.’ Hij denkt even na: ‘Maar goed, dat zie ik zelf toch allemaal niet.’ Zijn zus vroeg hem op een dag ook welk FC Den Haag-shirt hij in de kist wil dragen. Slier maakte haar al gauw duidelijk dat dit niet de bedoeling was. ‘Ik ga de oven in en je verbrandt nooit het shirt van je eigen club.’
Matchday
Slier wordt opgepikt door zijn vrienden in een auto met het logo van FC Den Haag in het dak. Het is waanzinnig druk rondom het stadion, bij gebrek aan parkeerplekken zetten mensen hun auto’s in het gras. Het stadion is uitverkocht, iedereen in Den Haag wil erbij zijn wanneer FC Den Haag weer voor het eerst in vijf jaar zal terugkeren in de Eredivisie. Slier loopt de trap op en gaat op zijn vaste plekje op Midden-Noord staan.
Daar ziet hij dat de club heeft uitgepakt voor de promotiewedstrijd. Iedere supporter heeft een lichtbandje gekregen, cheerleaders schudden met pompons en er klinkt keiharde housemuziek uit de tijden dat Lex Immers en Jens Toornstra nog het geel-groen droegen. Buiten het stadion knalt vuurwerk de lucht in en een spandoek met de tekst ‘Het gouden jaar van de ooievaar’ wordt uitgerold. Als de spelers het veld betreden klinkt de stem van Harrie Jekkers, die zingt over Den Haag, die mooie stad achter de duinen. Ook Slier zingt zijn stem schor.
Slier weet bij de enige treffer van de avond even niet waar hij het moet zoeken, of zoals hij het zelf op z’n Haags al voorspelde: hij weet even niet waar hij het hebben heb. Met een nipte voorsprong volgt stipt op de negentigste minuut het laatste fluitsignaal, waardoor het definitief is: FC Den Haag keert terug naar de Eredivisie. Supporters dalen van hun plekje af naar het veld voor een pitch invasion, spelers worden op de schouders genomen en verdediger Diogo Tomas rookt een gigantische Cubaanse sigaar.
Het schild gaat de lucht in en Slier neemt het allemaal nog eens goed in zich op. Niemand had er twee jaar geleden een stuiver voor gegeven dat hij hier nog bij zou zijn. Hij geniet en blijft tot zijn laatste adem achter zijn cluppie staan. ‘Haags onkruid vergaat niet.’
Door: Dave Aalbers
Bron: VI




























